NL EN FR

Publicaties

Hiranyagarbha als grondlegger van het Yogasysteem

Patañjali wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het grote Yogasysteem vanwege zijn teboekstelling van de Yoga Sûtra’s. Hoewel deze geschriften heel belangrijk zijn in de geschiedenis van de Yoga, geeft een studie van de oude literatuur aan dat de yogatraditie veel ouder is. De oorsprong ligt bij Hiranyagarbha, die de Yoga Darshan of ‘Het Filosofische Yogasysteem’ heeft neergelegd, de geschriften waaruit Patañjali later de Yoga Sutra’s heeft samengesteld.

 

De Mahabharata (Shanti Parva 349.65), het grote oude geschrift waarin de Gītā van Shri Krishna naar voren komt, vermeldt: ‘Kapila, als de leraar van de Samkhya en Hiranyagarbha, de hoogste Rishi, als de oorspronkelijke kenner van de Yoga, niemand is ouder’. Hiermee kunnen we nog geen datum toekennen aan de oorsprong van yoga, maar wel constateren dat zolang de mens bestaat, de kennis over het leven en dus de yoga er altijd is geweest. Het is in golfbewegingen sterker en dan weer minder sterk in ons bewustzijn aanwezig, afhankelijk van de tegenwoordigheid van grote zieners en yogi’s om ons van yoga bewust te maken.

De Yoga Shastra
De omvangrijke literaire werken van de Veda’s, de Purana’s en de Mahabharata spreken over verschillende grote yogi’s maar maken geen melding van Patañjali, die van een latere tijd was. Zelfs in de yogaliteratuur die van latere datum is dan Patañjali, zoals die van het Kasjmir Shaivism of die over Hatha Yoga, wordt Patañjali niet als centrale persoon genoemd.
In de Yoga Sutra’s wordt Patañjali alleen beschouwd als een samensteller, niet als de uitvinder van het Yogaonderwijs. Hij gaf zelf aan: ‘…aldus de leer van Yoga’ (Yoga Sûtra I.1). Krishna, de avatar van de yoga, zegt daarentegen in de Bhagavad Gītā (IV.1): ‘Ik onderwees de originele yoga aan Vivasvan.’
De Bhagavad Gītā is de eerste en oudste tekst die wordt geprezen als de Yoga Shastra of het ‘definitieve Yoga onderricht’. Dit verwijst tevens naar de Mahabharata als geheel, waarvan de Gītā een onderdeel is. Bhishma in de Mahabharata (Shanti Parva 300.57) spreekt ook over het yoga onderricht ‘dat gevestigd is in vele Yoga Shastra’s’. De Anu Gītā (hoofdstuk van de Mahabharata (Ashvamedha Parva 19.15)) heeft een interessant hoofdstuk dat begint met: ‘Hierbij verklaar ik de verheven en ongeëvenaarde Yoga Shastra.’

Patañjali als samensteller
Een en ander betekent dat de Patañjali Yoga Darshan een afgeleide is van de eerdere Hiranyagarbha Yoga Darshan. Het is geen nieuw of origineel onderricht, dat ook niet bedoeld is om op zichzelf te staan. De hoofdstukken die er in staan van yama’s en niyama’s tot dhyāna en samādhi waren al eerder in detail onderwezen in de oudere literatuur. In de Mahabharata (Shanti Parva 316.7) spreekt de ziener Yajnavalkya van een ‘achtvoudig yoga onderricht in de Veda’s’. De Shandilya Upanishad (1) verwijst naar een achtvoudig pad ofwel Ashtanga Yoga, maar noemt Patañjali niet. In de Maitrayani Upanishad waren er zes treden in het yogapad.

In de Mahabharata (Shanti Parva 340.50), evenals in andere teksten, wordt Hiranyagarbha oorspronkelijk gelijk gesteld aan Brahma of Prajapati, degene die ‘creëerde’ vanuit de Hindoe drie-eenheid. Deze vertegenwoordigt onder andere de Veda’s die de bron zijn van alle hogere kennis. Hiranyagarbha wordt vereenzelvigd met het Buddhi of Mahat, de hogere of kosmische mind (Mahabharata 302.18), met welke Brahma vaak geassocieerd wordt.

Het achtvoudige pad
Ondanks bovenstaande was Maharishi Patañjali wel een grote yogi die leefde in de tweede eeuw voor Christus en de yogatheorie toegankelijk heeft gemaakt voor het huidige tijdperk, de Kali Yuga. Patañjali beschrijft onder andere in zijn sutra’s of verzen een achtvoudig pad dat een handleiding vormt waarmee een beoefenaar van yoga kan werken. Hij heeft het niet bedacht maar opnieuw gerangschikt en verschillende bronnen gebruikt om het toegankelijk te maken voor de leek. Zo zijn er veel sloka’s uit de Gītā terug te vinden in de Yoga Sûtra’s. Hij heeft een weg gevonden waarin het intellect (Samkhya) en het hart (Bhakti) mooi verweven zijn in de beoefening van de yoga. Hiermee geeft Patañjali aan dat de yoga het pad is van het doen. Het ‘zelf’ leren kennen in alle aspecten en vandaaruit de devotie vinden door weten en niet door geloven. De wordingsgeschiedenis van elk vers is belangrijker nog dan het vers zelf. De essentie van wat het vers weergeeft ligt dieper dan de grammaticale vertaling van de letters. In het pad zit een opbouw van acht treden en de volgorde van die treden is er niet voor niets. De ashtanga-yoga, het geheel van het achtvoudige pad, gaat ervan uit dat je het Allerhoogste kunt bereiken wanneer je elke stap oefent, oefent, oefent en tot in de perfectie beheerst. Het resultaat is mede afhankelijk van je motivatie, je vastberadenheid en het doel dat je met yoga beoogt.

Uit het wiel van leven en dood
Patañjali heeft het boek in vier hoofdstukken onderverdeeld. In het eerste geeft hij de essentie aan van wat yoga is. Aangezien samādhi in essentie de techniek is van yoga, neemt het dus de belangrijkste plaats in. Dit hoofdstuk heet dan ook Samādhi Pada. Het tweede hoofdstuk gaat over de filosofie van de Kleśas. Het geeft daarmee een antwoord op de vraag waarom iemand yoga zou moeten doen. Daarnaast behandelt hij de eerste vijf treden die als voorbereiding dienen op de hogere vorm van yoga. Eigenlijk zijn dat de voorwaardenscheppende treden (bahiranga; de uiterlijke treden) van het pad. In het derde hoofdstuk begint hij met de laatste drie treden van de innerlijke yoga (antaranga), om vervolgens uit te wijden over de verworvenheden ofwel vermogens (siddhi’s).
In het vierde hoofdstuk worden alle filosofische problemen uiteengezet die betrokken zijn bij de studie en beoefening van yoga. Op meesterlijke wijze beschrijft hij ons denkapparaat en de mentale waarneming van de begeerte en onze hechting aan de wereldse objecten. En hoe we ons hiervan kunnen losmaken of bevrijden zodat we uit het wiel van leven en dood kunnen komen.

Ron van der Post

 

Op zoek naar verdieping?   Neem contact met ons op!